De druk in een persluchtnet staat zelden stil. De compressor schakelt aan en uit, en zodra elders een grote cilinder lucht vraagt, zakt de druk weg. Een drukregelaar vangt dat op: hij levert aan zijn uitgang een constante, instelbare werkdruk, ongeacht wat de aanvoer doet. Daarmee werken uw cilinders en ventielen voorspelbaar, doorgaans op een ingestelde werkdruk van circa 6 bar.
In de regelaar drukt een instelveer via een membraan een regelklep open. Stijgt de uitgangsdruk boven de ingestelde waarde, dan duwt die druk het membraan terug en knijpt de klep dicht. Zakt de uitgangsdruk, dan opent de klep verder. Dit evenwicht houdt de secundaire druk vrijwel constant, ook als de aanvoerdruk schommelt. U stelt de gewenste druk in met een knop boven op de regelaar.
De kracht van een pneumatische cilinder is recht evenredig met de werkdruk. Schommelt de druk, dan schommelt ook de kracht en de snelheid van de beweging. Voor een zuivere, herhaalbare beweging is een stabiele druk dus essentieel. Daarnaast voorkomt een lagere, geregelde werkdruk onnodig luchtverbruik en slijtage: vaak is 6 bar ruim voldoende waar de aanvoer 8 bar of meer levert.
| Type | Gedrag | Toepassing |
|---|---|---|
| Afblazend | Laat overdruk aan de uitgang ontsnappen als u lager instelt | Standaard, als de druk ook omlaag moet kunnen |
| Niet-afblazend | Blaast niet af; de druk zakt alleen door verbruik | Als afblazen ongewenst is, bijvoorbeeld bij technische gassen |
Een drukregelaar is leverbaar met een ingebouwde manometer of met een aansluiting waarop u er zelf een plaatst. Voor instellen en aflezen is een manometer sterk aan te raden. In een complete luchtverzorging zit de regelaar tussen het filter en het eventuele smeertoestel, vaak als gecombineerde filter-regelaar.
| Factor | Waar let u op |
|---|---|
| Aansluitmaat | Passend bij de leiding, bijvoorbeeld G1/4" of G1/2" |
| Drukbereik | Het instelbereik moet uw werkdruk omvatten |
| Debiet | Voldoende doorlaat om bij vol verbruik geen drukval te geven |
| Uitvoering | Afblazend of niet-afblazend, met of zonder manometer |
Een drukregelaar vraagt weinig onderhoud. Controleer de ingestelde druk periodiek en stel deze zo nodig bij na werk aan de compressor of het filter. Loopt de uitgangsdruk langzaam op terwijl er geen verbruik is, dan kan vuil onder de klep zitten en is reiniging of vervanging nodig.
Hij levert aan zijn uitgang een constante, instelbare werkdruk, ongeacht schommelingen in de aanvoerdruk. Zo blijven kracht en snelheid van cilinders voorspelbaar.
Een afblazende regelaar laat overdruk ontsnappen als u lager instelt, zodat de druk meteen zakt. Een niet-afblazende regelaar doet dat niet; de druk daalt alleen door verbruik.
Voor het instellen en controleren is een manometer sterk aan te raden. Veel regelaars hebben er een ingebouwd, anders plaatst u er zelf een op de aansluiting.
Tussen het filter en het eventuele smeertoestel: eerst schoon maken, dan op druk brengen, dan eventueel smeren. Vaak als gecombineerde filter-regelaar.
De laagste druk waarbij uw toepassing nog betrouwbaar werkt, met een kleine marge. Vaak is 6 bar voldoende waar de aanvoer 8 bar levert; dat scheelt lucht en slijtage.